Daar achter het IJzeren Gordijn

Ik was denk ik een jaar of zeven toen ik voor het eerst met mijn ouders op vakantie ging naar Hongarije. Het was ergens in de jaren tachtig en Hongarije was toen nog onderdeel van het Warschau Pact. We zaten nog midden in de Koude Oorlog en er liep een IJzeren Gordijn door Europa. Misschien dat Reagan en Gorbatsjov achter de schermen al vriendjes aan het worden waren, maar dat hadden ze mij dan even vergeten te vertellen.

Wij gingen dus naar Hongarije op vakantie en dat was voor mij heel ver rijden. We gingen met de auto inclusief vouwwagen. Ik zat achterin en voor mijn gevoel vonden de slakken zelfs dat wij langzaam gingen. Volgens mijn vader konden we niet zo snel door de vouwwagen en moest ik gewoon geduld hebben. Na ruim een dag waren we bij de grens tussen Oostenrijk en Hongarije. Ik vond dat spannend, want ik had gehoord dat het er hier heel streng aan toe zou gaan. We hadden ook een visum nodig, maar ik had geen idee wat dat was. Eerst passeerden we de douane van Oostenrijk en daarna gingen we door naar die van Hongarije. Ik keek zoekend naar buiten, want ik wilde dat IJzeren Gordijn waar ik op het nieuws over hoorde wel eens in het echt zien. Ik zag alleen niets, behalve hele dikke slagbomen en wat grauwe gebouwen. Er liepen ook allerlei mannen rond die eruit zagen als soldaten. Sommige van hen controleerden auto’s en caravans. Anderen droegen geweren. Dat was de eerste keer dat ik dat in het echt zag, wat ik best spannend en tegelijkertijd ook stoer vond. Later zou ik, na het kijken van Tour of Duty, weten dat het om AK–47’s ging.

Eén van de soldaten liep naar onze auto toe en na wat Duits klinkende woorden van mijn ouders, gaf mijn vader onze paspoorten en visa aan de meneer. Ik weet niet waarom, maar ik had een beetje gemene mensen verwacht. Deze man deed alleen best aardig. Ik vroeg mij af of er achter de gebouwen tanks zouden staan, voor het geval er iemand moeilijk zou doen. Ik stelde de vraag maar niet. De soldaat wilde ook onze spullen doorzoeken. Gelukkig deed hij dat alleen oppervlakkig, want anders hadden we alles uit en in moeten pakken. Daar had ik geen zin in, al had ik zelf waarschijnlijk niet veel hoeven doen.

Vanaf de grens was het nog een paar uur rijden naar de camping aan het Balatonmeer. Op die camping waren ook vrienden van mijn ouders. Vertrouwde gezichten waren voor mijn ouders volgens mij wel fijn, omdat een vakantie als dit voor hun ook helemaal nieuw was. En het was natuurlijk gewoon gezellig. De twee mannen waren jeugdvrienden van mijn vader en regelmatig gingen ze met z’n drieën vanaf de camping naar een of ander vistentje in de buurt. Het visje was een excuus, want naar goed Hongaars gebruik werd daar ook drank verkocht. Het liefst de lokale drank Palinka. De drie mannen hadden het er in ieder geval prima naar hun zin.

Eén van de vrienden van mijn vader was getrouwd met een vrouw met wie mijn vader nog in de klas had gezeten. Zij was in de jaren vijftig van de vorige eeuw als vluchteling vanuit Hongarije naar Nederland gekomen. Er woonde nog familie van haar in Hongarije en daar zouden we later in de vakantie heen gaan. Ik vond dat best bijzonder, want ik had begrepen dat de mensen in dit land arm waren en ik had nog nooit echt armoede gezien. Tijdens de rit naar de camping was het mij al wel opgevallen dat de wegen een stuk slechter waren dan in Nederland en de mensen zagen er ook anders uit. Je kon zien dat zij niet dezelfde welvaart hadden als wij in Nederland. De kleding was anders, spullen waren oud en versleten en ze waren enorm voorzichtig met wat ze zeiden. Later begreep ik dat was omdat veel mensen bang waren voor de geheime dienst. Die bleek overal rond te lopen en controleerde of mensen zich wel aan de regels van het communistische regime hielden. Mijn vader vertelde dat hij met mensen uit Oost-Duitsland had gesproken en de naam van partijleider Honecker had genoemd. Die mensen waren toen geschrokken en hadden angstig om zich heen gekeken, uit vrees dat anderen misschien zouden denken dat ze kwaad over deze man spraken. Ik begreep dat niet helemaal, maar vond het wel een soort van spannend.

In de omgeving was de invloed en macht van de Sovjet-Unie duidelijk zichtbaar. Niet ver van onze camping was een grote, tenminste in mijn beleving, Sovjet legerbasis. Er hingen allemaal bordjes die vertelden dat je er geen foto’s mocht maken. Bij de poort zag je gewapende soldaten staan. Net als bij de grensovergang met Oostenrijk. Het wekte een sfeer alsof er daadwerkelijk een soort van oorlog was. Als zevenjarig jongetje was ik natuurlijk niet veel gewend, maar het was heel anders dan thuis in Nederland.

Je zag ook Russische toeristen, of misschien waren het een soort van diplomaten, in de buurt. Anders dan de Hongaarse bevolking, zagen zij er welvarend uit. Bijna hetzelfde als ons. Ze reden niet in een oude stinkende Lada of Trabant, maar in nieuwe en moderne auto’s. Zelfs auto’s uit het Westen. Wat ik dan weer raar vond. Het Westen was tenslotte de vijand en waarom zou je geld geven aan de vijand. In latere jaren, na de val van de Berlijnse Muur en het IJzeren Gordijn, zag je de Russen niet meer. Ze werden gehaat door de Hongaren en waren niet langer welkom. De oude Sovjet basis was verlaten en het was niet veel meer dan een ruïne, geplunderd door de lokale bevolking.

Op de dag dat we naar de Hongaarse kennissen gingen, was ik een beetje zenuwachtig. Ik kende die mensen niet, sprak geen Hongaars en zij geen Nederlands. Tijdens de rit vond ik de omgeving er steeds armoediger uit gaan zien. Je zag steeds meer mensen zich verplaatsen met paard en wagen. Iets wat je in Nederland niet meer zag, anders dan voor recreatieve doeleinden. Toen we in het dorpje aankwamen, keek ik mijn ogen uit. Het dorpje, Mórichida, had slechts één of misschien twee verharde wegen. Alle zijtakken van de hoofdweg, waren zandwegen.

De familie die wij bezochten, bestond uit twee gezinnen. De één was vader, moeder, dochter en zoon. De ander was opa en oma. Opa en oma hadden geen wc in huis. In plaats daarvan was er een houten hokje ergens op het erf. Alsof je terug was in 1880 en op veel fronten voelde dat ook zo. Bij die old school wc liepen ook kippen rond die onder andere bezig waren met de recycling van mijn ontlasting. Niet wetende dat zij ’s avonds onderdeel zouden zijn van de maaltijd.

Opa en oma hadden geen boerderij, maar er was wel wat vee. Veel mensen in Mórichida hadden trouwens wat dieren zoals koeien. Ze hadden alleen geen eigen weiland voor die beesten. Daarom had het dorp een herder. Die liep ’s ochtends in alle vroegte met zijn honden over de hoofdstraat richting de velden, waar hij de hele dag met de koeien verbleef. Tegen de tijd dat hij ’s avonds weer het dorp in liep, begon bij elk huis de hond te blaffen. Elke koe liep vervolgens, vanaf de hoofdweg, zelfstandig terug naar huis. Ik vond dat bijzonder om te zien. Zoiets kleins. Zo simpel.

Naar goed Hongaars gebruik, of eigenlijk Oost-Europees, had het dorp een kroeg. Deze was ’s ochtends rond zeven uur al open, zodat mensen zich met een paar glazen Palinka moed in konden drinken voor de werkdag. Mijn vader ging hier ’s middags samen met de andere mannen heen. Naast de kroeg werd ook de wijnberg bezocht die de familie had. Daar stookten ze hun eigen drank en tegen de tijd dat ze terug bij het huis kwamen, kwam het woord nuchter niet meer voor in hun woordenboek. Ze waren vrolijk en van een taalbarrière was geen sprake meer. Ook al verstonden ze bijna geen woord van wat de ander zei. Misschien is dat ook wel waar het om gaat, want als ik nu terugdenk aan dat moment dan is mij één ding wel duidelijk geworden. We willen eigenlijk allemaal hetzelfde. Iedereen wil gewoon eten, drinken en lol maken. Dan maakt het niet uit wie je bent, welke taal je spreekt of wat voor auto je hebt. Waarom proberen onze regeringsleiders dan toch weer een Koude Oorlog te ontketenen? Het volk wil namelijk gewoon brood en spelen. En met een beetje eerlijk verdelen van dat wat we hebben, moet dat haalbaar zijn.