Samen. Tot de dood ons uit elkaar probeerde te trekken.

De zon straalde hoog aan de hemel op die lentedag in mei. Met twintig graden was het een heerlijke voorjaarsdag en ik stond op het punt het ziekenhuis in te lopen. Het was vier dagen geleden dat Rona was geopereerd en toen ik haar die ochtend aan de telefoon had, klonk ze opgewekt. Ze merkte dat ze langzaam aan weer wat kon. Ik was blij om dat te horen, want de laatste dagen waren behoorlijk vermoeiend geweest. Al lopend vanaf de parkeerplaats naar de ingang gingen mijn gedachten terug naar die dagen.

Er had ongeveer tien uur gezeten tussen het moment dat Rona was opgehaald voor haar hartoperatie en het moment dat ze weer de intensive care op kwam. Vooraf had de chirurg verwacht maximaal zes uur nodig te hebben en daar had ik mij mentaal ook op ingesteld. Toen ik na zes uur nog niets gehoord had, was ik nog redelijk ontspannen. Ook al was ik het wachten inmiddels zat geweest. Ik was ondertussen even naar huis geweest, maar toen de operatie vier uur bezig was, was ik weer terug in het ziekenhuis geweest. Ik wilde er namelijk zijn als ze klaar waren. En zo had ik daar dus zitten wachten. Voor mijn gevoel had ik elke koffiecorner in het ziekenhuis al tien keer gezien. Ik had proberen te lezen, maar aan het einde van een zin wist ik al niet meer wat er aan het begin had gestaan.

Met het verstrijken van de tijd begon mijn relatieve ontspannenheid te veranderen. Er ontstond onrust, want het begon toch wel erg lang te duren. Ik was op de hartafdeling geweest om te vragen of er al iets bekend was, maar de verpleegster had aangegeven dat ze niets van de OK hadden gehoord. Ik wist niet of ik dat nou positief of negatief moest uitleggen. Mijn gevoel neigde in ieder geval naar negatief en dat voelde niet fijn.

Het zou uiteindelijk nog drie uur duren voor ik door de chirurg werd gebeld. Die drie uren zaten vol met spanning en de angst dat er misschien iets niet goed gegaan was. Op het moment dat ik werd gebeld, zat ik op de grond met mijn rug tegen de muur van één van de pleinen in het ziekenhuis. De chirurg gaf een korte samenvatting en vertelde dat de operatie was gelukt. Het was niet eenvoudig geweest en hij had al zijn creativiteit moeten gebruiken, maar uiteindelijk was het toch gelukt en daar ging het om. Hij vertelde dat ze haar aan het aansluiten waren op de intensive care en dat ik naar haar toe mocht.

Een paar minuten later stond ik bij de ingang van de intensive care, waar een verpleegster mij ophaalde en mij naar Rona bracht. Het eerste moment dat ik haar zag, was een moment van opluchting. Ze “deed” het nog, schoot er door mijn hoofd om vervolgens te zien hoe ze daar lag vol met slangen en blauwe plekken rond haar borst. Er zat een dikke slang in haar mond voor de beademing en overal om mij heen hoorde ik piepjes. Ze zag er daardoor nog niet uit als iemand die zojuist, als ik de chirurg mag geloven, een levensreddende operatie had gehad. En dan vooral omdat ze er zo gehavend uit zag. De chirurg vertelde dat de situatie in het hart aanzienlijk slechter was dan vooraf was ingeschat. Hij zei dat, als ze de operatie niet hadden uitgevoerd, er waarschijnlijk op relatief korte termijn een hartklep los zou hebben gelaten en dat zou fataal voor haar zijn geweest. Deze klep was vervangen door een mechanische klep. Dat bericht drong, toen ik daar zo bij haar stond, langzaam bij mij binnen en ik bedacht mij dat we dus geluk hadden gehad. Ik dacht ook aan de hufters uit dat andere ziekenhuis die hun eigen onderlinge ruzie belangrijker hadden gevonden dan het leven van Rona en aan alle mensen die in de afgelopen twee jaar bleven suggereren dat haar klachten tussen haar oren zaten.

Nu, vier dagen na die bewuste operatie, liep ik een stuk ontspannender naar de ingang van het ziekenhuis. Rona knapte snel op en ik kon niet wachten om haar weer te zien. Ik passeerde verschillende mensen, omdat ik niet het geduld had om achter hen te blijven lopen. Door de vele ziekenhuisbezoeken in van de laatste tijd, kon ik inmiddels blindelings de weg vinden in het AMC. Ik liep dan ook in een rechte lijn naar de vleugel met de lift die mij naar de etage ging brengen waar Rona lag. Ik had geen oog voor andere mensen en eenmaal bij de lift, had ik geen idee wie ik onderweg gezien had. Ik stapte snel de lift in om vervolgens uit te stappen op de tweede etage. Daar ging ik rechtsaf en daarna direct weer rechts. Aan het einde van de gang was de kamer van Rona. Het was rustig op de gang en ik stapte stevig door. Toen ik de kamerdeur bereikte, zag ik Rona in een oude blouse van mij en een trainingsbroek op het bed zitten. Ze zag er al een stuk beter uit dan een paar dagen eerder. Ze keek mij lachend aan en ik was blij om haar weer te zien.

Rona vertelde trots dat ze die ochtend een stukje met één van de verplegers op de gang had gelopen en ze wilde dat ook graag met mij doen. We bleven nog heel even zitten om bij te praten, waarna ik haar overeind hielp. Opstaan was nog behoorlijk pijnlijk voor haar, doordat de botbreuk van haar borstbeen slechts een paar dagen oud was. Maar het lukte. Ze pakte mijn arm vast en stapje voor stapje verlieten we de kamer. We kwamen langs de balie van de verpleging en sloegen linksaf richting de hal waar je de liften ook kon vinden. Dit ging eigenlijk veel beter dan ik had verwacht. Totdat we in de hal waren en ik plotseling de mechanische klep, die een paar dagen eerder was geplaatst, heel snel hoorde tikken.

Ik keek Rona aan en in eerste instantie lachte ze. Niet beseffende wat er gebeurde. Dat lachen sloeg echter snel om in een beroerd gevoel en ik zag haar gezicht vertrekken. Ik bleef kalm, pakte een rolstoel zodat ze kon gaan zitten en we liepen terug naar de balie. De verpleger bij de balie reageerde direct toen hij haar zag en haar hartklep hoorde. Hij bracht ons onmiddelijk naar de medium care waar hij Rona aansloot op allerlei apparaten. Het kastje rechtsboven het bed liet onder andere haar hartslag zien en bij het zien van de waardes schrok ik. De frequentie lag namelijk op tweehonderdzeventig slagen per minuut. Het duurde slechts seconden voor er een cardioloog bij haar bed stond om aan haar te vragen hoe zij zich voelde, terwijl de verpleger een infuus aanlegde. Beide mannen wisselden een paar woorden met elkaar en nog geen minuut later zag ik de eerste medicatie via het infuus in de arm van Rona verdwijnen. De arts zei dat dit middel meestal snel hielp om de hartslag terug te brengen naar een “normaal” niveau.

Er gingen tien minuten voorbij, maar op de monitor zag ik nog steeds een hartfrequentie die rond de tweehonderdzeventig zat. Al hoefde ik niet eens te kijken om dat te weten, want ik kon de hartklep hard en snel horen tikken. Er was inmiddels niets meer over van de vrolijke Rona die ik een half uur geleden had gezien. Ze was doodop, doordat haar hart al een half uur aan het sprinten was. Ik zag de verpleger en arts aan komen lopen. Die zagen ook dat er geen verbetering was. Er werden nog wat extra dingen aangesloten en er werd besloten om meer medicatie toe te dienen. De cardioloog legde mij uit dat hij deze complicaties vaker zag. Hij vertelde dat er een paar dagen na een operatie een wisselwerking tussen wondvocht en littekenweefsel kan ontstaan wat dit tot gevolg kan hebben. Bij de meeste patiënten zijn de effecten echter beperkt, maar doordat Rona nog jong was, vond er een snellere celdeling plaats wat tot heftigere effecten leidde.

Ik bleef optisch redelijk rustig, maar van binnen voelde ik mij alles behalve dat. Ik maakte mij zorgen en vond het vreselijk om haar zo te zien. Ze had pijn en raakte uitgeput. Ik besloot een paar telefoontjes te plegen, want ik had het idee dat het nog wel een tijd kon gaan duren en dat betekende dat ik opvang voor ons driejarige zoontje moest regelen. Nadat ik na die telefoontjes terug op de medium care kwam, zag ik dat het bed van Rona op een andere plek was gezet en dat het gordijn gesloten was. Ik zag nu meerdere artsen bij haar bed staan, naast de dienstdoende cardioloog was er ook een andere cardioloog bijgehaald, en ik probeerde te begrijpen wat er gezegd werd. Een van de artsen vertelde dat ze andere medicatie wilden proberen. Deze medicatie had ze in de voorgaande dagen al in kleine doseringen gehad, maar zou nu in een aanzienlijk grotere dosering via het infuus toegediend worden.

Er ging ruim een uur voorbij, het kunnen ook twee uren zijn geweest, en er gebeurde nog steeds niets. Tenminste, niet in positieve zin. Er gebeurde namelijk wel degelijk iets en dat was dat Rona aan het instorten was. Ik probeerde met haar te praten, maar ze had steeds minder puf iets terug te zeggen. Ze mompelde wat en daar bleef het bij. Ondertussen zag ik op de monitor verandering ontstaan. Er daalde iets. Het was echter niet haar hartslag, maar de bloeddruk. Ik zag de arts daar niet zichtbaar op reageren en dacht dat het wel goed zat.

De tijd kroop voorbij. Ik hield Rona haar hand vast maar haar grip werd steeds slapper. Ze probeerde wat te zeggen. Ik ging met mijn hoofd naar haar toe om te horen wat ze zei.

“Ik trek dit niet meer, laat me maar gaan.”, mompelde ze.

Dat was de eerste keer dat ik echt schrok. De rek was er uit en ze was het aan het opgeven. Ik voelde een brok in mijn keel en mijn maag kneep zich samen. In paniek keek ik door de opening in het gordijn, richting de balie van de verpleging. De verpleger kon mijn gezicht lezen, want binnen een paar seconden stond ze naast het bed om weer even snel te verdwijnen. Voor ik het wist was ze terug met de cardioloog. De onderdruk van Rona was inmiddels richting de twintig gezakt en toen ik dat zag, snapte ik ook waarom ze zich nog beroerder voelde.

Ik keek toe hoe de artsen met elkaar overlegden en besloten om nog meer medicatie toe te dienen. Door mijn hoofd schoot dat een junk dit moment waarschijnlijk een walhalla had gevonden. Rona had in een paar uur meer troep toegediend gekregen dan ze normaal gesproken in zes weken kreeg. Na een uur, wat wel een dag leek te duren, trad er resultaat op. Rona werd rustiger, de bloeddruk herstelde wat en de hartfrequentie daalde. Al zat deze in rust nog steeds rond de tweehonderdveertig.

Kapot van deze dag ging ik uiteindelijk naar huis. De dagen erna bleven onrustig. De medicatie hielp te weinig en er werd besloten om een reset op het hart te doen met een elektrische cardioversie. Dit had maar een kortdurend effect en later in de week werd dit weer herhaald. Toen met meer effect. Drie narcoses in één week eisten echter wel hun tol, maar belangrijker was dat Rona vanaf dat moment weer langzaam ging herstellen.

Inmiddels zijn we elf jaar verder en afgelopen week waren we zeventien jaar verliefd. Rona is nooit echt hersteld, maar we zijn samen. We genieten van ons en het moment dat ik haar voelde wegglippen is een litteken geworden wat mij herinnert aan de kwetsbaarheid van ons geluk.